Nascholingsmogelijkheden

  • Workshops van een uur tot drie uur
  • Lezingen
  • Eén of twee dagdelen
  • Tweedaagse cursussen

 

Tweedaagse cursus De bovenkamer

Een cursus over De bovenkamer verdeeld over twee dagen (niet opeenvolgend maar met minimaal één week ertussen).
Hoe u met het opzoekboek De bovenkamer en de set strookjes de taallessen uit uw methode makkelijker kunt maken voor uw leerlingen, zowel Nederlandstalige als anderstalige leerlingen, van 8 tot 15 jaar.
U leert hoe u Nederlandse taalverschijnselen kunt onderwijzen zoals Hoe maak je zinnen? Wanneer gebruik je de of het bij samenstellingen? Welke woordsoorten zijn er?  Met de strookjes leren de leerlingen zinnen maken en dat helpt ze weer bij het schrijven van teksten. Zie verder de beschrijving bij Materialen.

Docenten: Josée Coenen (alleen of samen met) Marije Heijdenrijk.

Tweedaagse cursus Zien is snappen

Een cursus over Zien is snappen, verdeeld over twee dagen met minimaal één week ertussen.
Hoe u met eenvoudige middelen al structureel Nt2-lessen kunt geven…Vanaf groep een tot en met groep acht.
U leert hoe u Nederlandse taalverschijnselen kunt aanbieden aan anderstalige leerlingen en hoe u deze verder kunt oefenen met allerlei werkvormen vanuit Coöperatief leren (Doen is weten).

Docenten: Josée Coenen en Marije Heijdenrijk.

Drie middagen Woorden in prenten

Drie middagen verdeeld over zes weken over Prentenboeken & nt2-onderwijs aan de hand van Woorden in prenten”.

Alle kinderen houden van prentenboeken, ook anderstalige kinderen. Alleen spreken veel anderstalige leerlingen die in groep een komen geen of weinig Nederlands, terwijl ze wel veel Nederlands nodig hebben om het onderwijs te volgen.
Prentenboeken kunnen op een natuurlijke, plezierige manier bijdragen aan het uitbreiden van de Nederlandse woordenschat, omdat veel woorden immers staan afgebeeld.
Alle deelnemers kiezen een van de kant-en-klare herschreven prentenboeken en maken allerlei materialen en oefenen met allerlei werkvormen. Op deze wijze kunt u de Nederlandse woordenschat van anderstalige leerlingen snel uitbreiden met klassieke prentenboeken als uitgangspunt…
De opbrengst is voor iedereen een eigen prentenboekdoos om meteen de volgende dag mee te beginnen…

Docent: Josée Coenen

 

Nieuwsgierig geworden?

Neem contact op via contact of met Annemarie van Deventer van Bazalt.

 

Mogelijke taalproblemen bij anderstalige leerlingen

Deze boom brengt een aantal specifieke taalproblemen in beeld die veelvuldig voorkomen bij anderstaligen.

tel-er?

A: “Ik heb vier cadeautjes gekeregen”
B: “Ik lekker vijf.” C: “En ik heb er zes.”
In het laatste geval zeggen veel anderstaligen: “Ik heb drie.”
Hoe kunt u tel-er nu onderwijzen?
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

die of dat?

“die bord”, “die meisje”. Herkent u deze uitingen van anderstalige leerlingen? Het gebruik van aanwijzende voornaamwoorden hangt natuurlijk af van het lidwoord: de, deze, die en het, dit, dat.
Eerst onderwijst u de lidwoorden. Dan pas deze-die en dit-dat.
Het is makkelijk te onderwijzen… Meer weten? Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

spring-er?

“Ik leg het boek op die.” in plaats van: “Ik leg het boek erop.” (op de tafel) komt veel voor in het Nederlands van anderstaligen. Dit spring-er (voornaamwoordelijk bijwoord) komt in Nederlandse spreektaal, in schoolboekteksten en in verhalen of in prentenboeken veelvuldig voor.
Het is belangrijk dat anderstaligen doorzien waar dit er naar verwijst, anders begrijpen ze deze teksten niet.
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

volgorde

“Wij in Amsterdam wonen.” “Omdat ik weet niet.” “Gisteren wij hadden feest.”
Herkent u deze fouten in de woordvolgorde? Meestal is de structuur van de moedertaal hier debet aan. Toch kunt u dit eenvoudig onderwijzen… Meer weten?
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

gaan moet gaan

“dan gaat-ie lopen” of “toen ging-ie vallen”.
Herkent u deze uitingen? Terwijl het eigenlijk loopt-ie of viel-die moet zijn?
Spreken uw leerlingen nog zo in groep drie en hoger?
Dit is makkelijk af te leren… Meer weten?
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

de of het?

Lidwoorden zijn moeilijk voor anderstaligen. Toch moet u dit onderwijzen. Als de anderstalige leerling dit onderscheid niet kent, kan hij ook niet de juiste verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord maken (een mooie huis); kan hij niet de juiste verwijzigng gebruiken (de huis die).
Het onderscheid is heel simpel te onderwijzen. Meer weten?
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

knipwerkwoorden

“Wij opvoeden anders”. Dat opvoeden een scheidbaar werkwoord is en dat het eerste deel in een zin achteraan komt – Ik bel je vanavond laat wel op -, is moeilijk voor anderstaligen.
In veel taaloefeningen staat vaak: Vul de zinnen aan. U geeft een kort lesje over zogenoemde knipwerkwoorden hier aan vooraf… Meer weten
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.

hij of zij?

Voor anderstalige leerlingen is het onderscheid hij/zij soms moeilijk te leren. Vooral vanaf groep drie, bij het leren lezen, is het belangrijk dat anderstalige leerlingen dit onderscheid weten en zelk kunnen toepassen. Meer weten?
Zie Zien is snappen of schrijf u in voor een nascholingscursus.